Gisteren was ik bij een genezingsdienst.
Een grote naam uit Kenia was naar Nederland gekomen. Een profeet, volgens sommigen. Dr. Owuor heette hij. De zaal was tot de nok gevuld. Muziek denderde uit de speakers, mensen riepen, baden, juichten. Het volume… was overweldigend…
In de loop der jaren hebben talloze mensen voor mij gebeden. Soms in een stil hoekje, soms bij mij thuis, soms in massale samenkomsten zoals deze. Mijn zicht is nooit teruggekomen. En toch geloof ik nog steeds dat God een God van wonderen is.
Ik heb me ooit voorgenomen: als iemand voor me wil bidden, zal ik nooit ‘nee’ zeggen. Ik blijf me uitstrekken naar een wonder — ook al doet het wachten en de teleurstelling soms wel pijn.
Maar gisteravond werd het me te veel.
Het geschreeuw, de drukte, de voortdurende spanning in de zaal — het was een stortvloed van prikkels. Mijn hoofd tolde. Ik wilde naar buiten. Gewoon ademhalen. Weg van dit alles.
Ik stond op, liep in de richting waarvan ik dacht dat de uitgang was. Halverwege hield iemand me tegen:
“Waar wil je naartoe?”
“Kun je me even naar buiten helpen?” schreeuwde ik in zijn oor, om het lawaai te overstemmen.
“Maar… je bent toch nog niet genezen?”
“Nee,” riep ik, “maar ik ben erg overprikkeld en wil graag nu naar buiten.”
Op dat moment hoorde ik mijn naam door de speakers.
“Jurjen, waar ga je heen?” Het was Julia, de tolk van de profeet. Blijkbaar mocht ik niet zomaar vertrekken. Een man pakte mijn arm: “Ga terug! Je wonder kan nog komen!”
En voor ik het wist, zat ik weer in de zaal.
Met mijn vingers in mijn oren probeerde ik het geluid te dempen. Na een paar minuten probeerde ik het opnieuw. Dit keer hield een vrouw me tegen:
“Have you not received your miracle yet? Wait sir! God will do a mighty work in you!”
Ik liet me opnieuw de handen opleggen.
“Do you see?” vroeg de man.
“Yes, I see,” zei ik — denkend dat hij gewoon wilde weten wat ik nu nog zag.
“Praise God!” riep hij uit.
Snel corrigeerde ik hem: “No! No! I don’t see more than I already did.”
Even later maakte ik een aantekening op mijn telefoon. En toen ging het gerucht door de zaal: He can see again! Maar dat was dus niet zo. Ik zie alleen nog net genoeg om mijn telefoon te kunnen bedienen.
Twee keer probeerde ik te ontsnappen.
Twee keer werd ik terug de zaal in geleid.
En daar zat ik.
Met lege handen.
Met hetzelfde zicht als waarmee ik binnenkwam.
Soms doet dat pijn. Want iedere keer dat je naar voren stapt, steek je toch weer iets van je hart uit. Iets van hoop.
En iedere keer dat je naar huis gaat zonder het wonder waar je op had gehoopt, neem je ook iets van teleurstelling mee.
Maar toch… ergens blijft er dat kleine vonkje.
Dat fluistert: misschien morgen. Misschien ergens onderweg. Misschien anders dan ik dacht. Toen ik naar huis liep, een wandeling van bijna 3 uur lopen, liet ik mijn tranen de vrije loop. Waarom toch, God? Bad ik. Waarom deze moeilijke weg? Ik begrijp het niet… Maar toen meende ik een fluistering te horen. Een zachte stem in mijn binnenste. Een stem die tegen me zei: maar Ik ben bij je Jurjen… En Ik laat jou niet los.
Ik geloof nog steeds dat God wonderen kan doen.
Alleen misschien niet altijd op het moment dat wij willen, of op de manier die wij verwachten.
En soms — heel soms — is het grootste wonder gewoon dat je de rust vindt die je zo hard nodig hebt.
En misschien is de hoop zelf wel het wonder dat me op de been houdt.


Geef een reactie