Er was een tijd dat ik dacht dat zelfliefde iets was voor mensen met een lekkere jeugd, een stevig zelfbeeld en een leven dat “gewoon” meewerkt.
Niet voor mij (al heb ik overigens een prima jeugd gehad…)
Maar na mijn herseninfarct kwam ik in een soort binnenwereld terecht waarin één zin steeds tot me sprak:
‘Jij telt niet meer mee.’
Ik was stuk.
Ik kon niets meer.
Ik was minder.
En eerlijk? Ik heb periodes gehad dat ik van mezelf walgde. Niet omdat ik mezelf zo interessant vond om te haten, maar omdat het simpelweg voelde alsof alles wat ik was — weg was.
Alsof ik alleen nog maar een restje was van een oud leven.
En dat is een gevaarlijke plek.
Want als je dáár blijft wonen, ga je je leven bekijken alsof je er geen recht meer op hebt.
De leugen die zich als waarheid vermomt
Die gedachte — ik heb niets meer te geven — klinkt soms zó logisch dat je vergeet dat het een leugen is.
Een venijnige leugen die zich vermomt als realisme.
Maar het is geen realisme. Het is rouw.
Het is angst.
Het is schaamte.
Het is de schok van een nieuw lichaam, een nieuw hoofd, een nieuw bestaan.
En ergens onderweg ontdekte ik iets wat ik nooit had verwacht:
Je kunt zo’n leugen niet “wegdenken”.
Maar je kunt hem wel vervangen.
Met iets anders.
Met iets wat je opnieuw gaat oefenen.
Net zolang tot het weer wortel schiet.
Zelfliefde als reddingsboei
Ik ben niet van de ene op de andere dag van zelfafwijzing naar zelfliefde gegaan.
Het was vallen en opstaan.
Soms was het een goede dag en dacht ik: hé, ik ben oké.
En dan kwam er weer zo’n moment — een spiegel, een mislukking, een confrontatie met wat niet meer lukte — en dan voelde ik het weer: die oude walging, die oude afkeer.
Maar ergens in dat proces begon ik te beseffen:
Als ik ooit weer gelukkig wil worden, dan moet ik leren om aan mijn eigen kant te staan.
Niet een béétje.
Maar echt.
Niet als trucje.
Niet als oppervlakkig “positief denken”.
Maar als een keuze:
Ik weiger mezelf nog langer te behandelen als mijn eigen vijand.
En toen kwam de belangrijkste ontdekking:
Zelfliefde is niet egoïstisch.
Zelfliefde is de basis om überhaupt weer iets te kúnnen geven.
Want als jij jezelf voortdurend afbreekt, wat blijft er dan over om uit te delen?
Uitgeputte liefde is geen liefde.
Een leeg hart kan niet blijven schenken.
Waarom zou je van jezelf houden?
Dat is een eerlijke en goede vraag.
Misschien wel dé vraag.
Want zelfliefde moet ergens een legitimatie hebben.
Het moet ergens op gebouwd zijn.
Bij mij kwam die fundering niet uit mezelf.
Die kwam van boven.
Ik ontdekte (of eigenlijk: ik werd eraan herinnerd) dat ik geliefd ben door God.
Niet omdat ik presteer.
Niet omdat ik nog “de oude Jurjen” ben.
Niet omdat ik handig, scherp, succesvol of sterk ben.
Maar omdat Hij mijn Vader is.
Omdat Zijn glimlach op mij rust.
Omdat Hij mij ziet — ook als ik mezelf nauwelijks aankijk.
Dat besef is voor mij zo’n krachtige betekenisgever geweest.
Alsof er een stem onder al mijn stemmen lag, die rustiger was. Sterker. Liefdevoller.
En die zei:
Jij bent van Mij. En ik houd zielsveel van jou. Onvoorwaardelijk. Eeuwig. En onveranderlijk.
Nieuwe ontmoetingen, oude patronen
En weet je wat er gebeurde toen ik weer openstond voor nieuwe ontmoetingen met vrouwen?
Ik kwam mezelf tegen.
Mijn neiging om bevestiging te zoeken.
Mijn verlangen om “goed genoeg” gevonden te worden.
De oude reflex: als zij mij maar kiest, dan ben ik oké.
Maar juist daar leerde ik iets wat me zóveel rust heeft gegeven:
Zelfliefde moet voorop.
Niet als muur.
Maar als fundament.
Want pas als ik mezelf liefheb — echt — kan ik een gezonde partner zijn.
Niet afhankelijk.
Niet hunkerend.
Niet leeg.
Maar vol genoeg om te delen.
Vrij genoeg om te kiezen.
Veilig genoeg om eerlijk te zijn.
En dat geeft rust.
Rust omdat je niet meer hoeft te jagen.
Rust omdat je niet meer hoeft te bewijzen.
Rust omdat je niet meer hoeft te smeken om liefde, terwijl je die thuis al hebt gevonden.
Een oefening die ongemakkelijk kan voelen
Ik leerde dit onder andere van Kamal Ravikant, die het boek schreef “Love yourself alsof je leven ervan afhangt”.
De kern is bijna schokkend simpel:
Zeg tegen jezelf dat je van jezelf houdt.
Elke dag.
Steeds opnieuw.
En ja — de eerste keren voelt dat ongemakkelijk. Nep. Te zoet. Te gemaakt.
Alsof je iets zegt wat je niet “mag” zeggen.
Maar misschien is dat juist het bewijs dat je hier iets nieuws aan het bouwen bent.
Dus: ga eens voor de spiegel staan.
Kijk jezelf aan.
Niet vluchtig.
Niet snel.
Maar echt.
En zeg hardop:
“Ik houd van mezelf.”
Of: “Jij bent geliefd.”
En als je meteen weerstand voelt… wees dan mild.
Die weerstand is geen bewijs dat het niet waar is.
Het is bewijs dat je oude overtuiging nog luid is.
Maar jij bent bezig een nieuwe stem te voeden.
Een nieuw leven misschien wel.
Ik gun jou die rust.
Die diepe, stille zekerheid: ik ben oké.
Niet omdat alles goed is.
Maar omdat jij, in je gebrokenheid, niet minder waard bent.
Tot slot
En als je niets anders hebt om op te bouwen — begin dan hier:
God houdt van jou.
Intens. Hartstochtelijk. Werkelijk.
En als dat waar is…
dan mag jij ook leren om aan jouw kant te staan.
Met heel je hart.
Welke zin zou jij vandaag tegen jezelf willen durven zeggen in de spiegel?
Ik kom over deze (zelf)liefde graag delen in jouw (kerk)gemeenschap, organisatie of bedrijf. Neem vooral contact met mij op en laten we samen kijken wat ik voor jou kan betekenen!


Geef een reactie